De farthing: het kleinste Britse kopergeld
Een farthing was een kwart penny, de laagste waarde in het Britse pre-decimale muntstelsel. De denominatie gaat terug tot de middeleeuwen, maar de munten die verzamelaars vandaag tegenkomen stammen vooral uit de periode vanaf de late zeventiende eeuw. In ons aanbod loopt dat van een vroege farthing uit 1694 onder Willem III en Maria II tot een bronzen exemplaar uit 1912. Daarnaast liggen er enkele verwante stukken, zoals halfpennies en een halfpenny-token uit Southampton.
Koper en brons
De vroegste stukken zijn geslagen in koper. Vanaf 1860 stapte de Royal Mint over op brons, dat harder is en minder snel slijt. Dat verschil ziet u terug in het aanbod: de farthings van 1799, 1822, 1823 en 1836 zijn van koper, terwijl de latere jaargangen (1860, 1861, 1867, 1909, 1912) van brons zijn. Voor de datering en toeschrijving helpt het om op de beeltenis te letten. De koningen en koninginnen op de voorzijde geven meteen een tijdvak aan.
Wat de waarde bepaalt
Bij farthings speelt conditie een grote rol. Het zijn kleine munten die dagelijks door handen gingen, dus veel exemplaren zijn flink gesleten. Een scherp reliëf en leesbare details maken een duidelijk verschil. Verder wegen mee:
- het jaartal en de bijbehorende vorst;
- de conditie, van sterk circulatiespoor tot vrijwel ongecirculeerd;
- het metaal, koper voor de oudere en brons voor de latere stukken.
De prijzen in dit deel van de winkel liggen tussen enkele euro's en ruim €37 voor de vroege farthing uit 1694. Dat maakt het een verzamelgebied waar u met een bescheiden budget al een reeks jaargangen kunt opbouwen. Wie een 1 farthing kopen wil om een periode of een vorst te vertegenwoordigen, vindt in deze categorie een doorsnede van ruim twee eeuwen Britse muntslag. Heeft u zelf een farthing en wilt u weten wat die ongeveer waard is, dan kijken wij daar graag naar.