
Gids · 29 begrippen
Numismatiek begrippen.
Een gids met de vaktermen die u tegenkomt bij munten, penningen en bankbiljetten. Van FDC tot leeuwendaalder, van muntmeester tot patina.
De Nederlandse standaard
Twee identieke munten in verschillende conditie kunnen 5 tot 10 keer in waarde verschillen. Dit is de schaal die wij hanteren:
- FDCFleur de Coin
- Volledig ongecirculeerd, zoals de munt de muntpers verliet. Geen sporen van handel of slijtage zichtbaar, zelfs onder vergroting.
- UNCUncirculated
- Internationale standaard voor ongecirculeerde stukken. Vergelijkbaar met FDC maar gangbaar voor moderne uitgaven.
- PrPrachtig
- Vrijwel ongecirculeerd. Slechts minimale sporen onder vergroting, oorspronkelijke glans grotendeels intact.
- ZFrZeer Fraai
- Lichte slijtage op de hoogste punten van het reliëf. Alle hoofd- en detailelementen nog scherp leesbaar.
- FrFraai
- Duidelijke slijtage merkbaar, hoofdmotief nog goed herkenbaar. Acceptabele staat voor algemene verzamelingen.
- ZGZeer Goed
- Sterke slijtage, randdetails meestal verdwenen. Voor zeldzame stukken nog interessant; anders vooral materiaalwaarde.
- GGoed / Slecht
- Zware slijtage, alleen hoofdmotief nog zichtbaar. Voor verzamelaars beperkt waardevol.
Glossarium A–Z
A
- Avers
- De voorzijde (kop-zijde) van een munt. Bevat doorgaans het portret van de vorst, het wapen of het hoofdmotief. De avers van een Wilhelmina-tientje toont het portret van Koningin Wilhelmina.
B
- Biljet
- Papiergeld; een bankbiljet. In Nederland uitgegeven door De Nederlandsche Bank tot de invoering van de euro in 2002.
C
- Conditie
- De staat van een munt, beoordeeld via een gestandaardiseerde schaal (zie conditiegradering).
D
- Daalder
- Grote zilveren munt van circa 28 gram. In Nederland geslagen sinds de 16e eeuw, populair als provinciale uitgave (leeuwendaalder, rijksdaalder). Een Friese leeuwendaalder uit 1601 is een gewild verzamelobject.
- Dukaat
- Gouden munt van internationale handel, oorsprong Venetië 13e eeuw. Nederlandse dukaten (3,494 g, 98,3% goud) worden nog steeds geslagen door de Koninklijke Nederlandse Munt.
- Duit
- Kleine koperen munt ter waarde van ⅛ stuiver. Geslagen door alle zeven Nederlandse provincies tussen 1581 en 1795. Friese duiten zijn een specialisatie.
E
- Editie
- Specifieke uitgave van een munt, vaak gelinkt aan een jaartal of muntmeester.
F
- FDC
- "Fleur de Coin", de hoogste conditiegraad. Volledig ongecirculeerd, zoals de munt direct van de muntpers kwam.
G
- Goudgehalte
- Het gewicht aan zuiver goud in een munt. Voor Nederlandse 10-guldenstukken: 6,048 g zuiver goud (90% goudgehalte op 6,729 g totaal).
- Gulden
- Nederlandse munteenheid van 1814 tot 2002. Daarvoor ook in gebruik tijdens de Republiek (provinciaal) en het Koninkrijk Holland.
K
- KM-nummer
- Internationale catalogusreferentie uit de Krause World Coins-catalogus. Eén van de meest gebruikte referentiesystemen wereldwijd.
L
- Leeuwendaalder
- Provinciale daalder met wapenleeuw, geslagen door verschillende Nederlandse gewesten in de 16e–17e eeuw. Veel verspreid in internationale handel.
M
- Mevius
- Standaard Nederlandse muntencatalogus (Mevius Numisbooks). Voor Nederlandse munten dé referentie voor zeldzaamheid en waardering.
- Muntmeester
- Persoon die in een muntatelier verantwoordelijk was voor de productie van munten. Kleine merktekens op de munt verraden welke muntmeester de uitgave sloeg.
N
- Nominaal
- De officiële waarde aangegeven op een munt (bijv. "10 gulden", "5 cent").
- Numismatiek
- De studie en verzameling van munten, penningen, bankbiljetten en andere betaalmiddelen.
O
- Oord
- Kleine koperen munt, voornamelijk geslagen in de Zuidelijke Nederlanden tussen 16e en 18e eeuw.
P
- Patina
- Natuurlijk gevormde oxidatielaag op (zilveren of koperen) munten door ouderdom. Wordt door verzamelaars gewaardeerd, schoonmaken verlaagt de waarde.
- Penning
- Munt-achtig object dat geen wettig betaalmiddel is. Vaak herdenkings- of beloningskarakter.
- Pr (Prachtig)
- Conditiegradering: vrijwel ongecirculeerd, slechts minimale sporen onder vergroting zichtbaar.
- Provenance
- De gedocumenteerde herkomst van een munt, eerdere eigenaren, veilingen, certificeringen. Voor zeldzame stukken bepaalt het de waarde.
- Provinciale munt
- Munt geslagen door één van de zeven gewesten van de Republiek der Nederlanden (1581–1795). Iedere provincie had haar eigen muntatelier.
R
- Reliëf
- De verhoging van het ontwerp boven het muntoppervlak. Hoog reliëf is gevoeliger voor slijtage.
- Revers
- De keerzijde van een munt. Toont vaak het wapen, een denominatie of een symboolafbeelding.
- Rijksdaalder
- Zilveren munt ter waarde van 2½ gulden, geslagen sinds de 17e eeuw. Vooral 19e-eeuwse rijksdaalders zijn populair bij verzamelaars.
S
- Stuiver
- Munt ter waarde van 5 cent (of 1/20 gulden). Geslagen door alle Nederlandse gewesten en later het Koninkrijk.
V
- VOC-munten
- Munten geslagen door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (1602–1799), grotendeels duiten en stuivers, met VOC-monogram.
Z
- ZFr (Zeer Fraai)
- Conditiegradering: lichte slijtage op de hoogste reliëfpunten, alle details nog scherp.
- Zilvergehalte
- Hoeveelheid zuiver zilver in een munt. Nederlandse rijksdaalders bevatten typisch 87,5% zilver (sterling).
Term gemist of onduidelijk?
Heeft u een specifieke vraag over een begrip, of wilt u een munt laten waarderen? We helpen u verder.
Stel uw vraag