Provinciale munten van de Republiek
Tussen 1576 en 1803 sloegen de gewesten van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden hun eigen munten. Er bestond nog geen nationale munteenheid; Holland, Zeeland, Gelderland, Utrecht, Friesland, West-Friesland en de andere gewesten muntten ieder op eigen gezag, elk met een eigen muntplaats en een eigen muntmeester. Daardoor bestaat er van vrijwel iedere denominatie een reeks varianten, met verschillen in wapen, opschrift en muntmeesterteken. Dat maakt dit een gebied waarin u lang kunt blijven zoeken.
Ons aanbod telt op dit moment 778 stukken, met jaartallen van 1576 tot 1803. U vindt er kleine koperen duiten naast zilveren stuivers, wapenstuivers en grotere zilverstukken. De prijzen lopen van enkele euro's voor een gangbare duit tot ruim €900 voor zeldzamer zilver, zoals een 1 Gulden 1786 Utrecht met VOC-teken of een Arendsrijksdaalder 1597 uit Kampen.
Waar u op let bij provinciaal geld
De waarde van provinciale munten wordt door een aantal dingen bepaald. Het jaartal en het gewest zijn het eerste houvast, maar binnen één type maakt het muntmeesterteken vaak het verschil. Verder tellen de conditie en, bij zilver, het gehalte mee.
- Gewest en muntplaats: herkenbaar aan wapen en opschrift.
- Muntmeesterteken: bepaalt de precieze variant.
- Conditie: hoe scherper het reliëf, hoe gewilder.
- Metaal: koperen duiten tegenover zilveren stuivers en guldens.
Duiten, stuivers en VOC
De duit was het dagelijkse kleingeld en komt in het aanbod veel voor, onder meer uit Zeeland, Holland, Utrecht en West-Friesland. Een deel draagt het VOC-monogram; die stukken werden geslagen voor gebruik in de handelsgebieden van de Compagnie. Daarnaast zijn er dubbele wapenstuivers uit Holland en Zeeland en zwaardere zilverstukken uit Friesland en West-Friesland. Zo geeft de reeks een goed beeld van hoe verschillend de gewesten hun geld inrichtten.