Munten uit Pruisen vóór 1871
Pruisen groeide in de achttiende en negentiende eeuw uit tot de machtigste van de Duitse staten. Tot de eenwording van 1871 sloeg het koninkrijk zijn eigen munten, met eigen nominalen en muntstelsels. Wie deze munten verzamelt, houdt een stuk Duitse geschiedenis in handen uit de tijd van onder meer Frederik de Grote en de latere koningen uit het huis Hohenzollern.
Ons aanbod in deze categorie omvat op dit moment 54 munten met jaartallen tussen 1752 en 1869. Het gaat vooral om kleingeld: Pfennige, Pfenninge en Silbergroschen in koper en zilver. De prijzen lopen van enkele euro's tot ongeveer €24,50, waarmee dit een toegankelijk verzamelgebied is voor wie met Duitse staten wil beginnen.
Nominalen en metalen
Het Pruisische stelsel werkte lange tijd met de Thaler, verdeeld in Silbergroschen en Pfennige. In ons aanbod ziet u die verdeling terug. De koperen 2, 3 en 4 Pfenninge vormen de grootste groep, met jaartallen die de hele negentiende eeuw beslaan. Daarnaast zijn er zilveren stukken, waaronder de 1/2 Silbergroschen uit 1822 en 1852.
Let bij deze munten op de muntletter. Een letter als A, C of D achter of onder het jaartal verwijst naar de muntplaats waar het stuk geslagen is. U vindt die aanduiding terug in onze omschrijvingen, bijvoorbeeld bij de 2 Pfenninge 1868 (C) of de 3 Pfenninge 1844 (D).
Wat de waarde bepaalt
Bij Pruisisch kleingeld spelen vooral het jaartal, de muntletter en de conditie een rol. Een gaaf exemplaar met scherpe details is doorgaans meer waard dan een sterk gesleten stuk. Bij de zilveren munten telt het edelmetaalgehalte mee, al gaat het bij deze kleine nominalen om bescheiden zilverwaarde. Zeldzamere jaar- en muntplaatscombinaties liggen hoger dan de gangbare uitgaven.