De 5 cent onder Wilhelmina: de stuiver in klein courant geld
De vijf cent, in de volksmond de stuiver, was decennialang een vertrouwd muntje in de Nederlandse portemonnee. Onder koningin Wilhelmina (1890–1948) veranderde het stuk een paar keer van vorm en samenstelling. Ons aanbod in deze categorie loopt van 1907 tot 1943 en telt op dit moment 49 stukken, met prijzen van enkele euro's tot €25.
De vroegste exemplaren zijn ronde munten in cupronikkel, zoals de 5 cent uit 1907, 1908 en 1909. Later in de regeringsperiode kwam de bekende vierkante stuiver, herkenbaar aan het middengat. Die vorm ziet u terug in stukken uit onder meer 1923, 1936 en 1939. Tijdens de bezettingsjaren werd cupronikkel vervangen door zink; de 5 cent 1941 in zink is daar een voorbeeld van. Zo laat één noemwaarde een flink stuk twintigste-eeuwse muntgeschiedenis zien.
Waar de waarde vandaan komt
Bij deze kleine munten bepalen een paar dingen wat een stuk waard is.
- Jaartal: sommige jaargangen zijn schaarser dan andere, wat terugkomt in de prijs.
- Conditie: een scherpe, gaaf gebleven munt telt zwaarder dan een sterk versleten exemplaar.
- Metaal: cupronikkel en de latere zinken oorlogsuitgaven vormen verschillende deelgebieden voor verzamelaars.
De duurdere stukken in het huidige aanbod zijn de 5 cent 1933 in cupronikkel (€25) en de stuiver uit 1909 (€12,50). Veel andere jaargangen liggen aanzienlijk lager, waardoor deze reeks toegankelijk blijft om compleet te maken.
Een reeks om af te maken
Wie deze categorie per jaartal verzamelt, komt een overzichtelijk maar afwisselend geheel tegen: van ronde cupronikkelen stuivers uit het begin van de eeuw tot de vierkante zinken oorlogsstukken. Voor wie een 5 cent van Wilhelmina wil kopen of de waarde van een eigen exemplaar wil laten inschatten, zijn jaartal en conditie het eerste waar u naar kijkt.