Deense munten verzamelen
Denemarken heeft een muntgeschiedenis die goed te volgen is aan de coupures. Tot in de jaren 1870 rekende men in skilling; de 1 Skilling Rigsmønt uit 1856 in ons aanbod hoort bij dat oudere stelsel. Daarna stapte Denemarken over op de kroon, verdeeld in 100 øre, in het kader van de Scandinavische Muntunie die de kroon in Denemarken, Zweden en Noorwegen op elkaar afstemde. Vanaf dat moment komen øre- en kroner-munten in beeld, in koper, brons, zilver en later cupronikkel en zink.
Wat u in dit verzamelgebied tegenkomt
Het aanbod telt op dit moment 43 stukken, met jaartallen die lopen van 1856 tot 1964. Het gaat vooral om circulatiemunten in kleinere coupures: skilling, 2, 5, 10 en 25 øre, en enkele kroner. De metalen lopen uiteen van koper en brons tot zilver, cupronikkel, aluminium-brons en zink. Dat laatste zegt iets over de tijd: tijdens en rond de Tweede Wereldoorlog werd in veel landen op edelmetaal en cupronikkel bezuinigd, en de 25 Øre 1942 in zink past in dat beeld.
Wat de waarde bepaalt
Bij Deense munten spelen dezelfde factoren als elders. Het jaartal en de coupure bepalen hoe gangbaar een stuk is, de conditie doet de rest. Bij de oudere zilveren en bronzen øre-munten zit het verschil tussen een versleten en een scherp exemplaar vaak in de details van het portret en het jaartal. De prijzen in dit aanbod liggen tussen ongeveer €2 en €19,50. De hoger geprijsde stukken zijn met name de bronzen 5 øre uit de jaren 1880 en 1890 en een zilveren 10 øre uit 1882.
- Jaartal en coupure: welke reeks en welk uitgiftejaar
- Metaal: zilver, brons, cupronikkel of zink
- Conditie: leesbaarheid van portret, tekst en jaartal
Voor wie een reeks per coupure of per regering wil opbouwen, geeft deze pagina een dwarsdoorsnede van de negentiende- en twintigste-eeuwse uitgiften. De doorsnede van het aanbod loopt van de skilling van 1856 tot de kroner-munten uit het interbellum.