Munten van Indonesië verzamelen
Na het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1945 en de erkenning daarvan eind 1949 gaf de jonge Republiek Indonesië haar eigen muntgeld uit. De rekeneenheid werd de rupiah, onderverdeeld in sen. In de decennia daarna verschenen tal van omloopsmunten in wisselende ontwerpen en metaalsoorten. Het is een toegankelijk verzamelgebied, met veel materiaal dat betaalbaar blijft en toch een duidelijke historische lijn laat zien.
Ons huidige aanbod telt 9 munten uit de periode 1951 tot 1979. U vindt er zowel sen-munten als hogere coupures in rupiah, geslagen in aluminium en cupronikkel. Voorbeelden lopen van de 10 Sen uit 1951 en 1954 tot de 25, 50 en 100 Rupiah uit de jaren zeventig. De prijzen liggen in de lagere klasse, wat dit een geschikt beginpunt maakt voor wie met wereldmunten wil starten.
Sen en rupiah naast elkaar
De vroege stukken zijn nog in sen: honderd sen gingen op in één rupiah. Door inflatie verdwenen de senmunten geleidelijk en werden hogere rupiah-waarden geslagen. Aluminium werd veel gebruikt voor de lichtere omloopsmunten, cupronikkel voor de zwaardere. Een aparte vermelding verdient de 10 Rupiah 1979 met de aanduiding FAO, uitgegeven in samenwerking met de Wereldvoedselorganisatie en voorzien van een landbouwthema.
Waar u op let
Bij deze twintigste-eeuwse munten bepaalt vooral de conditie de waarde. Aluminium is zacht en krijgt snel krasjes en randbeschadiging, dus goed bewaarde exemplaren zijn schaarser dan de oplagecijfers doen vermoeden. Verder telt mee:
- het jaartal en de coupure;
- de metaalsoort en de mate van slijtage;
- of het om een gewone omloopsmunt of een themamunt gaat.
De categorie omvat in bredere zin ook koloniaal muntgeld dat voor Nederlandsch-Indië werd geslagen. Ons aanbod wisselt; wat u hierboven ziet, is de actuele voorraad. Heeft u zelf Indonesische of Nederlands-Indische munten en wilt u weten wat ze waard zijn, dan kunt u ze bij ons laten taxeren.