Nederlandse bankbiljetten verzamelen
Nederlands papiergeld heeft een lange geschiedenis. De biljetten in deze categorie zijn uitgegeven door De Nederlandsche Bank en haar voorgangers, waaronder de zilverbonnen die de staat tijdens de Eerste Wereldoorlog liet drukken toen zilveren pasmunt schaars werd. Ons aanbod loopt van 1914 tot 1992 en telt op dit moment 49 biljetten in uiteenlopende coupures, van de kleine gulden tot de duizend gulden.
Wie Nederlandse bankbiljetten koopt, komt al snel bekende ontwerpen tegen. De Grietje Seel op de honderd en de duizend gulden uit de jaren twintig, de Hugo de Groot van 1953, de Frans Hals van 1968. Veel van deze biljetten zijn inmiddels ongeldig verklaard en hebben alleen nog verzamelwaarde. Andere circuleerden tot de invoering van de euro.
Wat de waarde bepaalt
Bij papiergeld draait alles om conditie. Een biljet dat ongevouwen en fris is, staat mijlenver boven een exemplaar met vouwen, vlekken of scheurtjes. Verder spelen mee:
- De uitgifteperiode en het jaartal
- De coupure en de zeldzaamheid van de serie
- Bijzonderheden zoals replacement-biljetten, herkenbaar aan een afwijkende serieletter
- Het NVMH-catalogusnummer, dat de variant precies vastlegt
In het huidige aanbod loopt de prijs uiteen van enkele euro's voor gangbare circulatiebiljetten tot ruim €550 voor schaarser materiaal, zoals de 100 Gulden 1945 van de Geldzuivering. Die prijzen zijn een weergave van wat er nu ligt, geen taxatie.
Zilverbonnen en muntbiljetten
De vroegste stukken zijn zilverbonnen: papieren betaalmiddelen die het tekort aan zilveren munten opvingen. De 1 Gulden 1914 en de 2½ Gulden Zilverbon van 1918 horen tot deze groep. Ze vormen een apart en geliefd verzamelgebied binnen het Nederlandse papiergeld.