Munten van het Verenigd Koninkrijk
Het Britse muntstelsel kent een lange geschiedenis met eigen benamingen: farthing, halfpenny, penny, shilling en pence. Tot 1971 werd niet decimaal gerekend, maar in ponden, shillings en pence. Die oude reeks komt terug in dit deel van ons aanbod, dat munten omvat die zijn geslagen onder het gezag van de Britse Kroon. Het aanbod loopt van een farthing uit 1694, geslagen onder Willem III en Maria II, tot uitgiften uit 1962.
Op dit moment tonen wij hier 71 munten. De prijzen lopen uiteen van rond de anderhalve euro tot ongeveer €40. Aan de bovenkant staan onder meer een halve cent uit 1810 van Penang en de genoemde farthing van 1694. Zilveren shillings, sixpences en threepences uit de late negentiende en vroege twintigste eeuw vormen een groot deel van de doorsnee.
Koloniale uitgiften onder Brits gezag
Naast munten voor het Britse eiland vindt u hier ook uitgiften van gebieden die onder Brits bestuur stonden. De East India Company sloeg eigen kopergeld, zoals cents en cash voor Madras en Bengalen. Ook de Straits Settlements en Penang zijn met enkele stukken vertegenwoordigd. Deze munten horen numismatisch bij de Britse invloedssfeer en zijn daarom in deze categorie ondergebracht.
Waar de waarde van afhangt
Bij Britse munten bepaalt een aantal vaste punten de waarde:
- Jaartal en vorst: vroege uitgiften onder Willem III of George III liggen anders dan latere Victoriaanse of twintigste-eeuwse stukken.
- Conditie: koper en brons slijten sterk; scherpe details en leesbare tekst tellen mee.
- Edelmetaalgehalte: zilveren shillings en pence zijn tot 1920 in .925 geslagen, daarna in .500.
De metalen in dit deel van het aanbod zijn zilver (.925 en .500), cupronikkel, koper en brons. Wie gericht zoekt op een bepaalde vorst of coupure kan het beste op jaartal en nominale waarde letten; die twee gegevens sturen zowel de historische plaatsing als de prijs.